Rechts is dood. Links is de toekomst – Antwoord aan Joël De Ceulaer (1)

‘Links is dood’ het essay van Joël De Ceulaer in De Morgen van 7 juli had vanzelfsprekend, door zijn uitdagende titel de bedoeling reactie uit te lokken. Hij vraagt om wat meer linkse assertiviteit en polarisering. Welaan dan! Een lange reactie in drie delen. In het eerste deel rekenen we af met het de nieuwe militaristen en leggen we uit waarom het debat over de Vlaamse identiteit voor de socialisten een gepasseerd station is.

  1. Het  leger of de macramécursus

Ik wil om te beginnen iets zeggen over zijn vaststelling dat rechts reservist bij het leger wordt en dat links een cursus macramé volgt. Het is een wijdverspreide misvatting dat het pacifisme, dat links al van voor de eerste wereldoorlog in het bloed zit, ook betekent dat het in een hoekje kruipt als het met geweld wordt onderdrukt. Pacifisme is heel relatief, als je je fysiek moet verdedigen tegen een knokploeg. “Met de VMO praat je niet, je klopt erop”, was het ordewoord in tijden die qua politiek debat misschien zelfs ruiger waren dan vandaag. Ik heb het ooit geprobeerd, ermee te praten. Een stomp in mijn maag was het antwoord. Dat incident deed niets af van mijn pacifisme, maar bij een volgende gelegenheid sloeg ik terug.

Als rooie rakker, die nog tegen de aankoop van de F16 (aanvankelijke kostprijs 30 miljard frank – of 750 miljoen euro) had betoogd, koos ik niet voor burgerdienst, maar ging, zoals de overgrote meerderheid van mijn leeftijdsgenoten tien maanden het leger is. Dat was niet uit patriottisme, maar omdat het verplicht was. Het gaf me wel de kans met legerkameraden te discussiëren over oorlog en vrede en samen met hen in te gaan tegen de dagelijkse indoctrinatie. Ik smokkelde subversieve lectuur de kazerne binnen en tijdens de theorielessen ging ik in discussie met officieren die de mond vol hadden over het rode gevaar. Het was een bescheiden bijdrage aan wat we ‘revolutionair defaitisme’ noemden, het onderdrukkende legermechanisme van binnenuit bestrijden. Zoals voor bijna iedereen, behalve misschien voor degenen die er gratis een rijbewijs konden bemachtigen, was de legerdienst 10 maanden tijdverlies in een organisatie, waar een belachelijke kadaverdiscipline een rookgordijn was voor hemeltergende inefficiëntie. Ik heb me die legerdienst echter nooit beklaagd. Het was al bij al verfrissend om na vijf jaar universiteit, waar ik omringd werd door echte en would-be intellectuelen, eens een langere tijd met leeftijdsgenoten van alle slag te kunnen samenleven.

Affiche van de RAL voor de nationale betoging tegen de 30 miljard voor nieuwe gevechtsvliegtuigen op 12 januari 1975

Door de eigen legerervaring ben ik nogal meewarig over het besluit van een paar rechtse intellectuelen om weekendsoldaatje te gaan spelen. Hun beeld van het leger lijkt me vooral ingegeven door de bedenkelijke heroïek en kunstmatige sentimentaliteit uit hollywoodfilms. Ze doen het uit patriottisme, zeggen ze. Ik raad ze aan “Van het Westelijk front geen nieuws” van Erich Maria Remarque te lezen. Of de film van Lewis Milestone, die op dat boek gebaseerd is, te bekijken, als die ooit nog eens wordt vertoond. Boek en film waren niet voor niets verboden in nazi-Duitsland, want ze maken op overtuigende wijze duidelijk dat wat patriottisme wordt genoemd, niet meer is dan een schaamlap om kannonnenvlees naar de slachtbank te leiden. Niet voor het vaderland, maar ter meerdere eer en glorie van hogere nietsontziende onderdrukkingsmachten.

Het is niet omdat fascinatie voor het leger bij links ontbreekt, dat het zich overgeeft aan halfzachte bezigheden, zoals met geitenwollensokken geassocieerde macramécursussen. Ik merk in mijn linkse omgeving heel wat hard engagement, dat meer om het lijf heeft en ook meer inzet vraagt dan een paar weken door de modder kruipen en goedkoop bier drinken na een fijne dag vol spel en sport onder leiding van een drillsergeant, die zichzelf niet au sérieux neemt. Ik denk aan de vrijwilligers die hulp bieden in Calais, die migranten in hun huis opnemen, die tijdens hun vakantie gaan helpen in projecten in Afrika en elders, die hun vrije tijd besteden door taallessen te geven aan immigranten, ….  Ze zijn met velen en hebben er ook veel meer voor over dan die paar zelfverklaarde patriotten, die menen hun land een dienst te doen, door een paar weken in de weg van de echte militairen te gaan lopen.

Maar er speelt natuurlijk nog iets anders, iets belangrijkers. Het past binnen het propaganda-offensief, dat de publieke opinie moet rijp maken voor een verhoging van het defensiebudget en voor het aankopen van wapentuig, tot meerdere eer en winst van het Amerikaanse én Europese militair-industrieel complex en zijn aandeelhouders. Dat is de enige reden waarom Trump eist dat de defensie-uitgaven, ook in ons land, 2 percent van het BBP moeten bedragen (en liefst nog het dubbele daarvan). De stafchef van het Belgisch leger, generaal Compernol, geeft dat in een interview in Knack van 11 juli 2018 met zoveel woorden toe. “Dat zou een jaarlijkse uitgave van 9 miljard euro betekenen (…) Dan kunnen we bij wijze van spreken om de twee jaar voor elke Belgische soldaat een nieuwe tank kopen.” Lieutenant Gruber zou tevreden zijn met elke twee jaar a new little tank.

 

2. Het socialisme en het identiteitsdebat:

De Ceulaer herleidt de schijnbare onmacht van links tot onmondigheid als het over identiteit gaat. Bovendien herleidt hij het debat over identiteit tot een debat over de hoofddoek. Of over de boerkini, het elke zomer weerkerende afleidingsmaneuver op het moment dat de regering pijnlijke begrotingsbesprekingen voert, waarvan men de draagwijdte liever niet op de voorpagina’s van de kranten ziet verschijnen.

Als het identiteitsdebat zich verengt tot een debat over de hoofddoek, dan gaat het over een symbool, maar nauwelijks over wat identiteit nu precies is, en over waarom een visie op identiteit een belangrijk issue is geworden in de politieke strijd tussen links en rechts

In Samenleving en Politiek (Sampol)– hetzelfde tijdschrift waaruit De Ceulaer Patrick Loobuyck citeert – schreef ik al enkele opiniestukken over de toekomst van links[1].  Onder andere over hoe de sociaaldemocratie zich inhoudelijk zou kunnen vernieuwen door het  eco-socialisme als leidraad te nemen. Ik keek ook naar het succes van de socialisten Bernie Sanders en Jeremy Corbyn en wat de sp.a zou moeten doen, om een gelijkaardige nieuwe doorbraak van de socialistische idee mogelijk te maken.

Mijn discussiebijdragen gaven aanleiding tot heel wat interessante gesprekken met partijgenoten, van de basis tot de top van de partij. Een partijgenote merkte op: “maar je zegt niets over hoe we ons in het debat over identiteit moeten opstellen”. Ik heb het in mijn vorige artikels daar inderdaad bewust niet over gehad. Niet omdat we ons angstvallig uit dat debat moeten houden, omdat het een speeltuin voor nationalistisch rechts zou zijn. Maar wel omdat voor links, dat bij uitstek een internationalistische beweging is, de identitaire discussie een gepasseerd station zou moeten zijn. We hebben in ons eigen socialistisch verleden al een goede formule ontwikkeld over hoe identiteit past in het linkse emancipatieverhaal. Het volstaat dat van onder het stof te halen en te actualiseren.

Al in 1900 schreef August Vermeylen, één van de geestelijke oervaders van het socialisme in Vlaanderen, zijn essay ‘Vlaamse en Europese beweging’. De stellingen in dat essay vatte hij als volgt samen: “Om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn. Wij willen Vlamingen zijn, om Europeeërs te worden”. Het gebruik van het Nederlands is slechts een middel voor emancipatie van de volksmassa’s maar geen doel. Flamingantisme is geen louter taalbeweging, maar een maatschappelijke beweging in de breedste zin van het woord. Het is een zaak van sociale en economische vooruitgang van het gewone volk en daarbovenop een brede culturele emancipatiebeweging.

Het Vlaams socialisme, en zeker het Antwerpse socialisme, dat werd vormgegeven door Camille Huysmans en Lode Craeybeckx, werd in navolging van Vermeylen doordrenkt met dat sociaal-flamingantisme, dat Vlaamse identiteit verbond met emancipatie van het gewone volk van arbeiders, boeren en lagere middenklasse. Zelfs de Vlaamse communisten, met een boegbeeld als Jef Van Extergem, waren op die manier voorvechters van de Vlaamse ontvoogding. Terwijl tijdens de oorlog de rechtse Vlaams-nationalisten zich volop in de collaboratie stortten, zou de uitgesproken linkse flamingant Van Extergem in 1945, kort voor het einde van de oorlog, omkomen in het Duitse concentratiekamp Dora-Mittelbau …

Een delegatie van Waalse arbeiders op de Socialistische 11-juli viering in Kortrijk 1939. (Foto AMSAB)

Links Vlaanderen heeft geen historische lessen te krijgen van de erfgenamen van dat collaboratienationalisme. De Vlaamse linkerzijde heeft haar historische rol gespeeld in het ontvoogden van de Vlaamse volksmassa’s. Degenen die de Vlaamse beweging hebben aangegrepen om die in te schakelen in het fascisme van de jaren dertig en uiteindelijk in de collaboratie met een onmenselijk regime, waren daar tegenpolen van. Terwijl het socialistisch flamingantisme naar emancipatie streefde en mee vorm gaf aan een levende Vlaamse cultuur, leidde het VNV het eigen volk naar buitenlandse onderdrukking.

Dat is de geschiedenis, die haar rechten heeft en die maar al te dikwijls wordt vergeten. Ook in de socialistische beweging zelf, omdat door de collaboratie alles wat naar Vlaamse beweging zweemde, bezoedeld was geraakt.  Het is goed dat we dat verleden van het emanciperende Vlaamse socialisme niet vergeten. Maar we moeten een visie op Vlaamse identiteit aanpassen aan een wereld, die er 70 jaar na de tweede wereldoorlog helemaal anders uitziet. Is de oude doctrine, waarvan Vermeylen de vader en Huysmans het politieke boegbeeld waren, nog van toepassing?

De oorspronkelijke eisen van de Vlaamse beweging werden verwezenlijkt. Onderwijs, rechtspraak en bestuur hebben in Vlaanderen al lang het Nederlands als enige voertaal. In de jaren zestig, was de vernederlandsing van het publieke leven in Vlaanderen zo goed als voltooid. Het einde van de aanwezigheid van een Franstalige universiteit in Leuven, was een soort van symbolisch eindpunt van een evolutie, die meer dan een eeuw had geduurd. Maar heeft zich in de loop van dat proces ook een eigen Vlaamse identiteit ontwikkeld? “De taal is gans het volk”, zo stelde Prudens Van Duyse het toch bij het prille begin van de Vlaamse Beweging rond het midden van de negentiende eeuw. Zou het? Zijn we een volk geworden door onze taal?

De volledige vernederlandsing van Vlaanderen voelde aan als een te koesteren overwinning op de Franstalige bourgeoisie. Daarom was er ook een grote bewustwording van het belang van correct algemeen ‘beschaafd’ taalgebruik. We konden niet langer een gemeenschap met tientallen dialecten en nauwelijks een gemeenschappelijke taal zijn. De Vlaamse televisie zond elke dag de rubriek “Hier spreekt men Nederlands” uit. Zonder correcte spelling, geen goede schoolresultaten. De dt-regel werd nog niet in vraag gesteld. In de Vlaamse colleges bloeiden de ABN-kernen, waarin jonge studenten zich bekwaamden in het communiceren in het Algemeen Beschaafd Nederlands … en al discussiërend leerden samenzweren tegen het gezag.

[1] Eco-socialisme als nieuw groot verhaal (Sampol mei 2015), Wat Sanders en Corbyn konden, kan in Vlaanderen ook (Sampol september 2017), Boekbespreking “Out of the wreckage- George Monbiot” (Sampol maart 2018).

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.