Rechts is dood. Links is de toekomst – Antwoord aan Joël De Ceulaer (2)

In het tweede deel van ons antwoord op het essay van Joël De Ceulaer “Links is dood” stellen we vast dat de Vlaamse deelstaat, die na zes staatshervormingen is ontstaan, het helemaal niet goed doet en leggen we uit waarom er geen Vlaamse identiteit is.

3.De deelstaat Vlaanderen doet het niet goed

In 1970 werd het bestaan van een regio die Vlaanderen heet, verankerd in een eerste staatshervorming die het bestaan van drie cultuurgemeenschappen erkende. Vijf staatshervormingen later, waarvan de laatste werd afgesloten in 2014, heeft de deelstaat Vlaanderen zijn huidige vorm gekregen, met verregaande eigen bevoegdheden, een eigen regering en parlement en een substantiële bevoegdheid om belastingen te innen.

Vlaanderen bestaat en het Nederlands is de enige officiële bestuurstaal. Hebben die twee zaken ervoor gezorgd dat er ook een Vlaamse identiteit is geboren? De duidelijke verslapping van de aandacht voor correct Nederlands is een symptoom. Als de taal gans het volk is, dan is het volk slordig geworden. Dat wijst ook op de zelfgenoegzaamheid die tijdens het proces van steeds verdergaande federalisering is binnengeslopen in het geïnstitutionaliseerde Vlaanderen.

“Wat we zelf doen, doen we beter”, was in de jaren tachtig de slogan van Gaston Geens, de eerste Vlaamse minister-president. Je kan dat dubbel interpreteren: wat Vlaanderen zelf doet, doet het beter dan Wallonië en Brussel of wat Vlaanderen zelf doet, doet het beter dan de federale staat België. We kunnen ons misschien wel een voorstelling maken van een Vlaanderen dat welvarender is dan het armlastige Wallonië, dat al vanaf het einde van de jaren vijftig de gevolgen van de veroudering van zijn industriële ruggengraat moest ondergaan. Maar dat Vlaanderen het beter zou doen dan België is een volkomen abstracte veronderstelling die bij nader inzien weinig betekent.

De realiteit is dat Vlaanderen er met zijn steeds grotere autonomie niet in slaagt een efficiënter bestuur, meer welvaart en een bloeiend cultuurleven te verwezenlijken. Op de meeste terreinen, waarvoor de deelstaat Vlaanderen in de loop van de opeenvolgende staatshervormingen bevoegd is geworden, zijn de prestaties ondermaats. Wat ook verklaart waarom er steeds meer stemmen opgaan om bevoegdheden terug naar het federale niveau te verplaatsen.

Neem de Vlaamse bestuurscultuur. Die zou modern en efficiënt worden. De realiteit is dat die net gekenmerkt wordt door overregulering en een log en bureaucratisch bestuursapparaat, dat in de greep zit van wat verkokering’ wordt genoemd. Dat betekent dat de ene administratie niet weet wat de andere administratie doet en dat administraties onderling elkaar stokken in de wielen steken. Programmadecreten bij de begroting, verzameldecreten, jaarlijkse onderwijsdecreten, hersteldecreten … zijn het product van de verkokerde administraties, die voortdurend ondervinden dat regels niet werken. Ze zorgen voor een onoverzichtelijke wetgevende verrommeling. Die decreten geven bovendien nauwelijks aanleiding tot een fundamenteel beleidsdebat in het Vlaams Parlement. Slachtoffer van de rommelige regelgeving  is natuurlijk in eerste plaats de Vlaamse burger. De wet beschermt niet, maar maakt het leven lastig.

Het Vlaams Parlement, dat de democratische bekroning van de Vlaamse deelstaat zou moeten zijn, blijft een veredelde gemeenteraad waar kleine plaatselijke belangen een grotere rol in het debat spelen dan het belang van de gehele deelstaat. Waarom slaagt men er in Vlaanderen niet meer in om een grote infrastructuurwerken uit te voeren, dacht je? Nochtans probeerde Norbert De Batselier, een socialist en de eerste voorzitter van het rechtstreeks verkozen Vlaams Parlement, de nieuwe instelling de nodige schwung en daadkracht te geven door allerhande vernieuwingen te introduceren. Maar dat was te veel gerekend op de maakbaarheid van de politicus. De dorpse kerktoren blijft het politieke ijkpunt van de Vlaamse parlementaire debatten.

Ook met de Vlaamse economie gaat het niet goed. Aan zelfgenoegzaamheid ontbreekt het ook op dat terrein nochtans niet. Men leze de hoera-berichten bij elke buitenlandse economische missie van de minister-president. Die missies zijn symptomatisch. In het slechtste geval lopen Vlaamse, Waalse en Brusselse economische vertegenwoordigers in het buitenland elkaar voor de voeten. Gelukkig zijn dat doorgaans ambtenaren met goede wil en dus pragmatici die willens nillens samenwerken. Vlaanderen of Wallonië economisch verkopen in het buitenland werkt niet. Dus verkopen ze samen België dat op sommige terreinen wel een keurmerk is.

We zijn een kleine economie, die alleen kan scoren als ze sterk op innovatie is gericht. Maar dat is een van de zwakke kanten van het door de Vlaamse Regering geroemde Vlaamse ondernemerschap. Ja, we hebben IMEC dat toonaangevend is in de ontwikkeling van processoren. Maar laat dat nu net een instelling zijn die door de overheid is opgezet en niet door privékapitaal. Voor het overige zijn ook Vlaamse innovatieve start-ups de speelbal van het internationale grootkapitaal. Moeten we echt juichen als een Vlaamse ondernemer het helemaal maakt in Silicon Valley? Of is dat neoliberale brain-drain, die alleen de aandeelhouders rijk maakt?

Het volstaat om de standpunten van Voka, de belangenvereniging van het Vlaamse bedrijfsleven te lezen om te weten dat het een door en door conservatieve club is, helemaal aangepast aan de Vlaamse kerktorenmentaliteit. Niet in het minst wat haar standpunten over sociale verhoudingen aangaat. Vakbonden zijn voor de doorsnee Vlaamse ondernemer des duivels. Als je Voka mag geloven, is het niet de onmacht van het Vlaamse bedrijfsleven dat zorgt voor een ongunstig economisch klimaat maar de vakbeweging die in de weg loopt van de moedige ondernemer. Voka is een belangrijke lobbymachine, die gul is met douceurtjes voor Vlaamse politici en die een meer dan evenredige invloed heeft op de totstandkoming van het Vlaamse beleid. Bart De Wever zei zelf dat Voka zijn echte werkgever is. Duidelijker kan het niet zijn.

De ruggengraat van de Vlaamse economische welvaart is zeer broos. Uiteindelijk zijn we een speelballetje, een wingewestje van multinationals, die van de ene dag op de andere kunnen beslissen hun investeringen terug te trekken. Voorbeelden genoeg, de voorbije jaren. De arbeiders in de zo geroemde Vlaamse auto-industrie, met de meest performante fabrieken van Renault, GM en Ford, hebben het mogen ondervinden.

Vlaanderen is ook bevoegd voor de zorg. Dat het op dat terrein zeer ondermaats presteert, blijkt uit lange wachtlijsten in zowel jongeren-als ouderenzorg. Privatiseringen en stijging van de kosten voor gebruikers én subsidiërende overheid, vervolledigen het sombere plaatje.

Mobiliteit en infrastructuur: zelfde verhaal. Vlaanderen staat stil. Door ideologische verblinding, blijft de Vlaamse regering inzetten op individueel autoverkeer in de steden, tussen de steden en op het platteland.  Dezelfde blindheid leidt tot onderfinanciering en verwaarlozing van het openbaar vervoer. Tegelijkertijd kan iedereen met eigen ogen vaststellen dat essentiële infrastructuur met moeite onderhouden wordt. Dat het grootste deel van het infrastructuurbudget de komende jaren naar het ontwarren van de verkeersknoop rond Antwerpen zal gaan, moet in de rest van Vlaanderen ook een bel doen rinkelen.

Dat Vlaanderen, dat al van in 1971 autonoom over zijn cultuur beslist, er niet in slaagt om een bloeiend cultuurleven uit te bouwen, is nog meer symptomatisch. Dat ligt niet aan het ontbreken van talent of een tekort aan hardwerkende artiesten.  Maar wel aan de schaamteloze onderwaardering van kunst en cultuur door hetzelfde kerktorenbeleid. Rechts Vlaanderen en zijn politieke vertegenwoordigers stimuleren het discours dat cultuurwerkers stigmatiseert als elitaire subsidieslurpers.  Het budget voor kunst en cultuur in de Vlaamse begroting vormt echter slechts een piepkleine fractie van de uitgaven. Het BV-wezen, dat wordt gepropageerd door de populaire pers, creëert de illusie dat de gemiddelde Vlaamse artiest een weelderig leven leidt, ver van de dagelijkse beslommeringen van de gewone werkmens. In realiteit moet de overgrote meerderheid onder hen zien te overleven in het precaire kunstenaarsstatuut, een nepstatuut dat hen dwingt als freelancers zonder zekerheid op een vast inkomen voortdurend op zoek te gaan naar opdrachten. Ondergefinancierd en ondergewaardeerd, … het beleid is een boze stiefmoeder voor de cultuursector.

Inefficiënte overheid, een broze economie, een zorgsector in crisis, stilstand en verwaarlozing van kunst en cultuur, dat zijn de echte redenen waarom het institutionele Vlaanderen niet voor een soort van Vlaamse identiteit kan zorgen. We zijn burgers die door een Vlaamse overheid worden bestuurd, maar we voelen ons daardoor geen Vlamingen. Neen, we voelen ons nog altijd meer Belg.  Liever deel uitmaken van een groter geheel, dat meer zichtbaar is en waar er meer perspectief op vooruitgang is.

4. Kunstmatige Vlaamse identiteit

In een uitgebreid representatief onderzoek naar de stand van de publieke opinie in België, gepubliceerd in januari 2017[1] werd onder meer gepeild in welke mate de respondenten zich in de eerste plaats ‘Vlaming’ zouden noemen. De overgrote meerderheid van 69 percent identificeert zich eerst en vooral met zijn stad of gemeente. Ver daarachter volgt België (18 percent). Slechts 4 percent voelt zich eerst Vlaming. In Wallonië en Brussel is de identificatie met België sterker (respectievelijk 37 en 30 percent). De identificatie met Europa ligt in de drie landsdelen erg laag (3 percent in Vlaanderen, 2 percent in Wallonië en 6 percent in Brussel).

Het is ironisch dat de Vlaams-nationalisten in die omstandigheden een kunstmatig identiteitsbeeld willen opdringen van een homogeen Vlaanderen dat nooit bestaan heeft en dat absoluut niet leeft bij de overgrote meerderheid van de bevolking. Ze doen dat met de verbetenheid van een sekte. Maar het is niet door op mediatieke evenementen zoals de Ronde van Vlaanderen te gaan vendelzwaaien met de vlag die ook het symbool was van de Vlaamse oorlogscollaboratie, dat ze die geforceerde identiteit zullen kunnen opleggen. De agressiviteit waarmee een en ander gebeurt, wekt trouwens meer weerzin dan sympathie op.

Het gezwaai met aangebrande vlaggen is een stuk onwelriekende folklore. Het is problematischer dat die kunstmatige identiteit op exclusiviteit wordt gebaseerd. Je wordt slechts lid van de club, als je je volkomen conformeert aan de geconstrueerde identiteit met normen, die meer ingegeven zijn door elitair en autocratisch denken, dan door democratie en gelijkheid. Conformeer je je niet, dan blijf je een buitenstaander, een tweederangsinwoner, die een aantal rechten niet mag uitoefenen. Dat geldt niet alleen voor nieuwkomers, maar ook voor geboren en getogen Vlamingen, die zich niet herkennen in die exclusieve identiteit. Omdat haar identiteitsvisie geen meerderheid vindt,  valt het trouwens op hoe het discours van de NV-A zich verder radicaliseert in de richting van het opdelen van de bevolking in goede en slechte Vlamingen.

Het is ook begrijpelijk dat er nauwelijks identificatie met Europa is. De Europese integratie is nooit verder geraakt dan een economisch verhaal van open markten en vrij verkeer van goederen en werknemers. Tegelijkertijd zijn de Europese instellingen een toonbeeld van democratisch deficit. De economische unie, is nooit een democratische politieke unie geworden. De Europese moloch dendert over zijn burgers.  Wat dat betekent hebben we in Griekenland gezien. “Vlaming zijn om Europeeër te worden” klinkt in die omstandigheden nogal hol.

Er is geen eenduidige identiteit, geen Vlaamse, geen Belgische en geen Europese. Er zijn subidentiteiten, voor een groot deel bepaald door de plaats waar we wonen. We zijn een beetje Vlaming, iets minder Europeaan, iets meer Belg maar vooral Antwerpenaar, Gentenaar, Kempenaar, Meetjeslander of whatever.

Maar ook binnen die realiteit kunnen we er niet omheen dat we onderdeel zijn van een gemeenschap, met een gemeenschappelijke taal, gemeenschappelijke waarden en een gemeenschappelijke cultuur.  Al kunnen we die gemeenschappelijkheid niet altijd aanvoelen of omschrijven. De aloude socialistische doctrine blijft in die omstandigheden een goede leidraad. Laat ons werk maken van het democratisch opbouwen van onze gemeenschap, waar iedereen zich thuis voelt. Onder andere door veel aandacht te besteden aan dingen die ons binden zoals taal, cultuur en democratische waarden. Dat werkt emanciperend en maakt het mogelijk om Europeeër en wereldburger te worden. Een gefragmenteerde en angstige gemeenschap zal zich nooit staande kunnen houden in een wereld die hoe dan ook globaliseert en meer en meer grenzeloos wordt. Dat heeft dus niets met nationalisme te maken. Vlaming zijn om Europeeër/wereldburger te worden, is een internationalistisch program.

Ten slotte, misschien kunnen we ook maar beter van het concept ‘identiteit’ afstappen, als we een internationalistische en emancipatorische visie willen ontwikkelen. Misschien is de term ‘soevereinisme’ bruikbaarder. Daarmee bedoelen we dat individuen én gemeenschappen greep krijgen op het collectieve gebeuren, omdat ze niet afhankelijk zijn van een hogere, onderdrukkende macht. Soevereinisme is een antwoord op vastgeroeste machtsverhoudingen en een voorwaarde voor emancipatie van mens en gemeenschap, dat niet noodzakelijk naar nationalisme leidt.

 

[1] Noir, Jaune, Blues 2017. Quel monde voulons-nous bâtir? 10 clés pour comprendre l’état de l’opinion publique belge. Zie : http://www.cecinestpasunecrise.org/content/uploads/2018/03/Resultats-complets-grande-enquete-L.pdf. Dit onderzoek werd door Stephen Bouquin toegelicht in 4 bijdragen op de website van Apache. https://www.apache.be/dossier/de-stand-van-het-land/

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.