Socialisten aan het roer in Antwerpen (deel 4)

In 1982 fuseerde Antwerpen met haar randgemeenten en werd het een grootstad, met Bob Cools als eerste burgemeester. Deel 4 over onze geschiedenis van de socialisten in het Antwerpse stadsbestuur gaat over deze eerste jaren van de grootstad en over Bob Cools, een visionaire burgemeester in moeilijke tijden.

 

Deel 4 – Antwerpen wordt een grootstad onder Bob Cools

Onder Mathilde Schroyens, de laatste burgemeester van Antwerpen vóór de fusie met de randgemeenten in 1982, kwam met het einde van de lange periode van hoogconjunctuur, de structurele financiële zwakte van de stad aan de oppervlakte.

Het fundamentele probleem was dat de stad onvoldoende inkomsten kon genereren om alle functies van een grote centrum- en havenstad te kunnen financieren. De opbrengst van de inkomstenbelastingen blijft bijvoorbeeld achter bij die van de rijkere gemeenten in de stadsrand. Het Gemeentefonds, dat bedoeld is om de werking van gemeenten te financieren, komt dan weer onvoldoende tussen bij het wegwerken van het begrotingstekort van de grote steden, terwijl kleinere gemeenten er veel meer van kunnen profiteren. Dat laatste heeft onder meer te maken met de ondervertegenwoordiging van de grote steden, en zeker van Antwerpen, in het centrale bestuur en het parlement, waar de politieke beslissingsmacht over de besteding van de middelen ligt.

De stad Antwerpen kwam eind jaren zeventig, begin jaren tachtig dan ook op een steeds groeiende schuldenberg te zitten. ¹

De meeste Antwerpse socialisten waren geen voorstander van de fusie van Antwerpen met zijn randgemeenten. Men was eerder gewonnen voor doorgedreven samenwerking tussen stad en randgemeenten in de vorm van een soort agglomeratieraad en een stadsgewest zoals er in Frankrijk bestaan zoals bijvoorbeeld de Communauté d’Agglomération in Rijsel. Door de fusie zou het stadsbestuur zijn voeling met de bevolking verliezen, was de redenering. Het opgaan van de deelgemeenten, die naar Vlaamse normen, op zich al uit de kluiten gewassen stedelijke centra zijn, in één grote stad ging zorgen voor een groot democratisch deficit. Bovendien leek het doordrukken van de fusie vooral ingegeven door de bekommernis de stadsfinanciën te saneren, door de inbreng van de randgemeenten, die er financieel beter voorstonden. Wat overigens niet lukte, vermits ook zij met schulden in plaats van met een begrotingsoverschot in de grootstad Antwerpen werden geïntegreerd.

Bij de gemeentefusies in 1976 was beloofd dat elke gemeente met een propere financiële lei zou kunnen starten. Toen in 1982 met vertraging de fusie van Antwerpen met Berchem, Borgerhout, Hoboken, Wilrijk, Deurne, Merksem, Ekeren en Berendrecht-Zandvliet-Lillo tot stand kwam, moest de nieuwe fusiestad starten met een tekort van 65 miljard frank (1,6 miljard euro), dat voor 98 percent afkomstig was van Antwerpen zelf.

Het is onder dit slechte financiële gesternte dat Bob Cools de eerste burgemeester van de fusiestad werd in januari 1983. Dat gebeurde in een periode van economische achteruitgang, die zwaar zou wegen op de leefbaarheid van Antwerpen, dat door die fusie ook een grootstad werd.

Cools had als schepen van ruimtelijke ordening en stedenbouw zijn sporen ruimschoots verdiend. Hij bouwde zijn departement uit tot een taskforce die het stadsherstel aanpakte en daarover ook uitgebreid met de bevolking communiceerde. Het ging allemaal niet zo snel als gewild en er waren tot aan de fusie nog bedenkelijke ingrepen, maar het beleid van bescherming van het stadslandschap kon niet meer worden teruggedraaid. Antwerpen werd geen stad met overheersende hoogbouw. Toen bijvoorbeeld de oude en vervallen Hippodroom op het Zuid werd afgebroken, was het oorspronkelijke plan daar twee hoge torens neer te zetten, die de hele Museumbuurt haar uitzicht en charme zouden ontnemen. Het getouwtrek rond de bestemming van de gronden zorgde ervoor dat de site jarenlang braak lag, maar uiteindelijk kon Cools zijn slag thuishalen, en kwam er geen hoogbouw.

Ook de redding van de historische Bourlaschouwburg is aan Cools te danken. Al eind jaren vijftig besloot het Antwerpse stadsbestuur een nieuwe grote stadsschouwburg te bouwen, die een aantal van de Antwerpse theaters onderdak moest geven. Het duurde tot 1980, na een lange lijdensweg, dat de nieuwe stadsschouwburg aan het nieuw aangelegde Theaterplein in gebruik kon worden genomen en onder andere de KNS er zijn intrek in kon nemen. Daardoor kwam het Bourlagebouw leeg te staan en gingen er stemmen op om het af te breken. Cools zorgde er evenwel voor, dat tijdens deze periode van leegstand het gebouw verwarmd bleef, zodat het niet zou vervallen. Uiteindelijk werd de Bourla gerenoveerd, en keerde de KNS in 1994 terug naar haar oude thuis.

Zelfs het Centraal Station, algemeen beschouwd als één van de mooiste stationsgebouwen ter wereld, werd met afbraak bedreigd, toen de plannen voor het doortrekken van het spoor dwars door de stad, werden uitgetekend. De spoorlijn kwam onder de grond en het Centraal Station werd grondig in zijn oude glorie hersteld. Ook dat kan worden toegeschreven aan het volgehouden beleid van Cools om het erfgoed en tegelijk ook de leefbaarheid van de stad te beschermen.

Dankzij dit conservatie- en renovatiebeleid bleef Antwerpen een stad op mensenmaat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Brussel, waar de megalomanie veel grotere wonden heeft geslagen. Een stad die haar erfgoed niet langer verwaarloosde, maar ervoor zorgde dat het zijn functie kon behouden of een nieuwe bestemming kreeg.

Cools ontwikkelde vanuit zijn praktijk op het gebied van ruimtelijke ordening een coherente visie op stedelijkheid: de stad niet zien als een verzameling huizen, straten en pleinen of een concentratie van mensen op een klein oppervlak, maar als een ruimte waarin de wisselwerking tussen mensen onderling en tussen mensen en hun omgeving gebeurt.

Een eigentijdse en brede visie op stedelijkheid was nodig voor een stad die niet alleen geografisch uit zijn grenzen was gebarsten, maar die ook op heel korte tijd zijn bevolking ingrijpend zag veranderen, door de instroom van mensen met een andere cultuur en achtergrond. Het was op dat vlak tasten en zoeken, waarvan Cools zelf een mooi relaas geeft in zijn boek ‘In naam van de stad’, dat tegen het einde van zijn burgemeesterschap verscheen.²

Om iets te doen aan het democratische deficit dat de fusie met zich had meegebracht, introduceerde Cools de districtsraden, die aanvankelijk slechts een raadgevende functie hadden, en niet rechtstreeks waren verkozen, maar samengesteld volgens de politieke verhoudingen in de Antwerpse gemeenteraad. Dit was een eerste stap naar bestuurlijke decentralisatie. In de loop der jaren zouden de districtsraden ook echte bestuurlijke bevoegdheden en een beperkt eigen budget krijgen en vanaf 2000 worden ze ook rechtstreeks verkozen.

De sanering van de financiële toestand werd uiteindelijk door de Vlaamse Regering met harde hand opgelegd. De stad werd onder een soort curatele geplaatst en er werden ingrijpende besparingen doorgevoerd, die zich onder andere sterk lieten voelen in de inkrimping van het personeelsbestand.

Door die opgelegde besparingen, was het ook voor een college onder leiding van een visionair als Bob Cools moeilijk om vanuit een vooruitstrevende en verbindende ingesteldheid een stad te besturen, die meer dan andere Belgische centrumsteden met problemen van samenleven werd geconfronteerd.

De fusie waarbij alle inwoners ineens in een grotere entiteit terecht kwamen, de relatieve verloedering van sommige wijken en de stadsvlucht troffen de stad Antwerpen opmerkelijk hard. In die omstandigheden kon de erfgenaam van de Vlaams-nationalistische collaboratie, het Vlaams Blok, doorbreken. Dat gebeurde eerst bij de nationale verkiezingen in 1986 en dan opnieuw bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988. In de loop van de legislatuur die daarop volgde ging de meerderheid verloren, onder andere door het overlopen van de SP’er Staf Neel naar het Vlaams Blok, en dat betekende ook het einde de klassieke socialistisch-christendemocratische coalitie, die de stad sinds de tweede wereldoorlog had bestuurd. De Volksunie kwam de coalitie depanneren, tot aan de volgende verkiezingen van 1994.

Een minder stabiele coalitie maakte het besturen van de stad niet gemakkelijker. Aangevuurd door uiterst-rechts, begonnen rechts populistische reacties op wat er allemaal misliep in de stad zich op de persoon van de burgemeester te richten. Tot in het belachelijke toe. De paaltjes, die op de Meir de wandelzone markeerden, maar die nogal ongelukkig en hinderlijk waren geplaatst, werden bijvoorbeeld Bobkes genoemd.

Toch is Bob Cools de laatste grote burgemeester van een reeks, die begon bij Van Cauwelaert in 1921. In moeilijke omstandigheden, kon hij dankzij een duidelijke visie op wat een stad zou moeten zijn, er toch het beste van maken. Ook in zwaar weer slaagde hij erin het Antwerpse model van een sterke plaatselijke overheid, met een solide sociale onderbouw, aangevuld met een aansprekende cultuurpolitiek, in stand te houden.

 

[1] Tussen 1971 en 1977 steeg de schuld van Antwerpen van 2.277  miljoen frank tot 4.526 miljoen frank. LODE HANCKE,, De Antwerpse burgemeesters van 1831 tot 2000, p. 253.

[2] Bob Cools, In naam van de stad, Antwerpen, 1993.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.