Van wie is de stad?

Boekrecensie door René De Preter
Een boek met de titel Samen vooruit in Antwerpen maakt niet alleen nieuwsgierig, maar schept ook verwachtingen. Het boek vertrekt vanuit een (eco-)socialistisch perspectief. Diverse auteurs behandelen onderwerpen als milieu, gezondheid, democratie, openbare diensten

Stephen Bouquin schreef zowat de helft van het boek vol en geeft een hele geschiedenis van de stad mee. Hij heeft het ook over de rol die de socialisten hebben gespeeld sedert het begin van de twintigste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog is hun invloed ontegensprekelijk. Ook in Antwerpen. Vermeldenswaard is de uitbouw van openbare diensten, nutsvoorzieningen, sociale woningen, rusthuizen en scholen. Burgemeester Lode Craeybeckx ijverde voor een Antwerpse universiteit. Allemaal positief, maar enkele minder vrolijke aspecten krijgen geen aandacht: het cliëntelisme bijvoorbeeld, snoepreisjes en etentjes met gemeenschapsgeld en de afbraakpolitiek, waar Wannes Van de Velde nog heeft tegen geprotesteerd.

Het was ook een socialist, met name Bob Cools, die als schepen voor ruimtelijke ordening meer oog had voor het historisch erfgoed en tevens de eerste verkeersvrije straten liet aanleggen. Elders in het boek krijgt hij daarvoor lof toegezwaaid.

Er wordt tevens voorbijgegaan aan de oplopende stadsschuld. De stad Antwerpen ging elk jaar lenen op de geldmarkt met een grote stadsschuld als gevolg. Dat die schuld bij de fusie in 1983 niet werd kwijtgescholden kan worden betreurd, maar ze was wel gigantisch. Men zou terecht kunnen opmerken dat er iets mis is met de financiering van gemeenten, maar andere socialisten hebben op federaal en regionaal niveau de touwtjes in handen gehad en daar weinig aan veranderd.

Er zijn heel wat pluspunten, maar duidelijk ook enkele minpunten. Maar dat is inmiddels geschiedenis. Leerrijk, zeer zeker, en vooral met het oog op de ontwikkelingen die zich de laatste decennia hebben getoond. Enkele belangrijke tendensen worden daarbij zichtbaar.

Bouquin stelt de vraag of het stadsbestuur kiest voor citymarketing en een bestuur dat de stad tot een wingewest voor beleggers in vastgoed wil maken eerder dan de stad terug aan de inwoners te geven. Dat wordt als een centrale keuze voorgesteld. Daarbij passen toch enkele kanttekeningen. Als dusdanig is er niets verkeerd met citymarketing, wanneer dat de gemeenschap ten goede komt. Wanneer de bewoners meer het beleid kunnen bepalen, dan hoeft citymarketing niet tot meer profijt van vastgoedmakelaars te leiden.

Terecht wordt in het boek kritisch gekeken naar bestuurders, die de stad als een bedrijf zijn gaan beschouwen. Marc Le Bruyn wijst erop dat dat die aanpak op het conto van Patrick Janssens, (voorlopig?) de laatste socialistische burgemeester van Antwerpen, mag geschreven worden. Directeurs werden managers en afdelingen werden bedrijfseenheden. Alweer past de opmerking dat aan het goed managen van de stad op zich niets onfatsoenlijk is, maar het wordt moeilijker te verdedigen wanneer de dienstverlening in het gedrang komt, het personeelsstatuut wordt uitgegraven en privatiseringen op tafel liggen. Daarnaast werden een aantal zelfstandige agentschappen en vzw’s opgericht en daarop is de democratische controle afgezwakt.

Dat projectontwikkelaars het openbaar domein steeds meer inpalmen en de stadsplanning naar hun hand zetten staat buiten kijf, maar het is ook duidelijk dat het stadsbestuur ook wordt overgenomen door diverse advies- en advocatenbureaus. Die laatste beginnen ook steeds meer wetten te dicteren, tevens bij regeringsbeslissingen, die niet zonder invloed zijn op het stedenbeleid. Alle inspraakrondes ten spijt hebben de bewoners bij die besluitvorming weinig in de pap te brokken en wenden ze zich desnoods tot de Raad van State om hun gelijk te halen.

Ook Ringland heeft die stap gezet, al is dat initiatief door expertise onderbouwd en staat het los van eigenbelang, wat niet van alle burgerinitiatieven kan gezegd worden. In dit verband is het merkwaardig dat in het boek enkele vraagtekens worden geplaatst bij Ringland. De auteur twijfelt eraan of het afgesloten akkoord wel als een overwinning voor de actievoerders kan worden beschouwd. Is het tracé echt veranderd en hebben de initiatiefnemers hun standpunten voorgelegd aan hun achterban? Toch wel een vreemde vraag, gezien de succesvolle bijeenkomsten in zaal Horta en zaal Roma.

Wat meer speelt is het vertrouwen dat de aanhangers van Ringland hebben in hun woordvoerders, want om complexe dossiers te ontrafelen is niet elke medestander van het project met voldoende kennis gewapend. De auteur heeft wellicht een punt wanneer hij opmerkt dat de actiegroepen onder druk worden gezet vanuit de instellingen en de media om ‘efficiënt’ en geloofwaardig over te komen en dat daarbij de band met de achterban onder druk kan komen te staan. Het is een interessante vaststelling, want hieraan gekoppeld rijst ook de vraag wat bedoeld wordt met ‘de stad terug aan de inwoners geven’. Maar daarover verder meer.

Rafik Khalfaoui ziet racisme in Antwerpen als een vergif voor de hele stad. Hij stelt vast dat het racisme is toegenomen en vaak als een mening wordt verkondigd. Dat tegelijk de tolerantie is afgenomen hoeft dan niet te verwonderen. De uitspraken van Bart de Wever over berbers en moslims worden terecht als stigmatiserend beschouwd.

Het mag trouwens gezegd dat het feit dat moslims hun plaats in de gemeenschap opeisen ook kan worden verstaan als een poging tot integratie maar dan wel met uiterlijke symbolen van hun identiteit als implicatie. De orthodoxe joodse gemeenschap koestert ook haar symbolen, maar toont minder neiging tot integratie. Volgens De Wever zorgen ze voor minder problemen. Vrome Joden vallen geen andere mensen lastig. Zulke uitspraak kan misschien electoraal lonend zijn, maar hoe moet die vaststelling passen in de discussie over identiteit? Er zit een raciaal kantje aan, ook al is het misschien anders bedoeld.

De bijdrage van David Van Peteghem sluit naadloos aan bij het identiteitsdebat. Hij behandelt het multiculturalisme. Hij heeft vragen bij de ‘Leitkultur’, waar Bart de Wever voor pleit. Daarbij baseert De Wever zich op de waarden van de Verlichting zonder te expliciteren wat nu precies die waarden zijn en hoe die in 2018 moeten ingevuld worden, aldus de auteur.

In zijn feuilleton in De Standaard – later tot boek verwerkt – heeft Paul Goossens daar zinnige dingen over geschreven. Wanneer de uitspraken van De Wever tegen het licht worden gehouden dan blijkt duidelijk dat een vage vorm van verlichtingsdenken moet dienen om anderen en vooral de islam in een apart vakje te duwen. De auteur had er kunnen aan toevoegen dat een deel van de bevolking de stigmatisering van de moslims uitbreidt tot alle nieuwe inwoners, die niet tot de islam behoren.

Op die manier zorgen De Wever en Francken ervoor dat het ‘Eigen volk eerst’-gevoel een extra prikkel krijgt en de tolerantie afneemt. De verkiezingsuitslagen van 14 oktober schijnen dit te bevestigen, als de resultaten van het Vlaams Belang worden bekeken. En daar moet nog worden aan toegevoegd dat de individualisering, die al een tijd aan de gang is en past in een neoliberaal discours, evenmin bijdraagt tot verdraagzaamheid en de solidariteit ondermijnt.

Peter Terryn geeft een kijk op de plaats van kunst en cultuur in de stad. Hij voert ons mee naar de jaren 60 en 70, toen kunstenaars in de opstandige geest van toen performances op straat brachten en hij doet een oproep aan de kunstenaars om samen met andere burgers straten en pleinen weer te claimen. Het zich toe-eigenen van de openbare ruimte is hier de boodschap.

Elly Van Reusel heeft het over de gezonde stad en ziet gezondheid als een basisrecht, waar tegenwoordig flink aan geknabbeld wordt. De sluiting van centra voor geestelijke gezondheid en de privatisering van delen van het OCMW worden als voorbeeld genoemd. In dezelfde lijn ligt de benadering van de openbare diensten, waar Rudy Wouters, een pseudoniem voor een groep Antwerpse ambtenaren, een bijdrage over levert. Ook hier komt het neoliberaal verhaal over een kleinere overheid bovendrijven.

Het New Public Management wordt onder de loep genomen. De managementstaal dringt overal door en wordt als politiek neutraal voorgesteld. Het doel is om met beperkte middelen een maximaal resultaat neer te zetten. Wie kan daar iets tegen hebben? Helaas zit achter die neutraliteit een politieke agenda verscholen. Daar wordt in de bijdrage van Wouters en co de aandacht op gevestigd.

Tot hiertoe hebben we vooral gezien wat vroeger werd opgebouwd en wat de laatste decennia langzaam wordt gesloopt. Dat verhaal levert echter geen blauwdruk op voor een alternatief. Stephen Bouquin behandelt de milieukwestie en het probleem van de propere lucht en pleit voor andere transportmodi dan de auto in de Antwerpse haven en voor meer containervervoer via het spoor.

Maar daarmee zitten we nog niet in een andere samenleving. Om daar te geraken wordt veel verwacht van fearless cities en van communs. Fearless cities zijn steden waar wordt ingezet op mensenrechten, democratie en beheer en gebruik van het gemeenschappelijk goed. Dat heeft alles te maken met burgerparticipatie en initiatieven van onderuit, de zogenaamde communs. Hiermee willen de promotors de stad teruggeven aan de bewoners en die doelstelling gaat regelrecht in tegen de privatisering en de vermarkting van de samenleving.

Tegelijk worden de lacunes van de representatieve democratie blootgelegd een aangevuld met veel meer participatieve democratie. Veel buitenlandse voorbeelden worden in de bijdrage van Walter Lotens aangebracht, want de beweging is wereldwijd waarneembaar en wordt versterkt met lokale, nationale en internationale netwerken en platforms. Dat is zeker allemaal heel lovenswaardig, maar daarmee op het macroniveau de nieuwe wereld aankondigen is nog voorbarig.

Tenslotte blijven die voornamelijk stedelijke projecten zich ontwikkelen binnen een vrij ongenadig marktmechanisme op mondiaal terrein. Men weet natuurlijk maar nooit waar een bepaalde dynamiek kan toe leiden en dat die vanuit steden wordt opgestart spoort met de idee dat veel vernieuwende ideeën vanuit de steden groeien.

Of uit dit overzicht kan worden opgemaakt dat Samen vooruit in Antwerpen alle verwachtingen heeft ingelost, kan moeilijk worden bevestigd. Een uitgewerkt alternatief, zeker op wat langere termijn, kan overigens vlug door de gebeurtenissen achterhaald zijn. Het is wel mogelijk krijtlijnen te trekken en er moet ergens een vertrekpunt zijn. Daar hebben de auteurs wel aan gewerkt en de hoop op beterschap gegeven. Dat maakt het interessant, al is daarmee de discussie over de toekomst van de stad zeker niet afgesloten en zijn er andere meningen in omloop.

Voor wie aan het debat wenst deel te nemen en nog iets meer over de stad wil te weten komen is ook de lectuur van ‘Onze Stad’ aan te bevelen. Dit werk onder redactie van Danielle Dierckx en Marc Swyngedouw verscheen in 2017 bij ACCO. Een van de auteurs is Manu Claeys die zelf recent een boek over burgerparticipatie en democratie uitgaf. Andere geschriften zoals die van Eric Corijn verstrekken nog wat extra stof om over na te denken of ‘mee te denken’ en te participeren aan de opbouw van de stad van morgen : de stad van al haar inwoners.

 Dit artikel is eerder verschenen is op De Wereldmorgen (18 okt 2018)

Samen vooruit in Antwerpen, Stephen Bouquin (red.), Critica, Antwerpen, 2018, 182 blz. ISBN 9789082383058, prijs: 15 euro, www.critica.be

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.