Wettelijke pensioenleeftijd op 65 jaar, een welvaartsvast en eerlijk pensioen voor iedereen

Standpunt van ‘Wij zijn Socialisten’ ter gelegenheid van de vakbondsbetoging van 16 mei 2018
 
Dit schreven twee regeringspartijen letterlijk in hun verkiezingsprogramma van 2014:
“De pensioenleeftijd blijft op 65 jaar , een volledige loopbaan bedraagt 45 jaren” (Nv-A verkiezingsprogramma 2014)
“De wettelijke pensioenleeftijd blijft op 65 jaar” (verkiezingsprogramma Open VLD 2014)
 
Geen enkele partij van de huidige coalitie stelde een verhoging van de pensioenleeftijd in het vooruitzicht. Maar toch was een van de eerste maatregelen van de asociale regering Michel-DeWever het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd naar 67 jaar. Dat was snel beslist, maar daarna begon het geknoei. Onwerkbare voorstellen werden uitgewerkt en weer in de prullenbak gekieperd. Uit het gegoochel met puntensystemen voor de berekening van het pensioen, raakt niemand nog wijs. De onduidelijkheid over waar het met ons pensioen naartoe moet werd steeds groter. Maar één ding weten we zeker: hoe de hervorming die deze regering wil doorvoeren er ook zal uitzien, ze zal in het nadeel zijn van iedereen, die met werken zijn brood heeft verdiend.
 
Op het gebied van de betaalbaarheid van de pensioenen wordt al jaren een demagogisch angstverhaal opgedist. De verhouding tussen actieven en niet-actieven zou angstwekkend dalen. Met de pensionering van de babyboomgeneratie van de jaren vijftig, komt er een vergrijzingsgolf aan, die de betaalbaarheid van onze pensioenen in het gedrang brengt. Als we de pensioenen op hun huidige peil willen behouden, dan moeten we dus allemaal langer en harder werken, zo wordt ons dagelijks ingeprent.
 
Is dat wel zo?
 
Met nieuwe managementmethoden zoals arbeidstijdenmeting en procesmodellering gingen de werkgevers in de afgelopen decennia op zoek naar grotere arbeidsproductiviteit, met meer winsten. In 1988 lag de omzet per hoofd van de bevolking op 14 269 euro (1189 euro per maand), en per werkend hoofd van de bevolking op 38 134 euro (3177 euro per maand). Wanneer we dan naar de reële cijfers bijna 30 jaar later gaan kijken, zien we dat elke Belg gemiddeld 33 280 euro aan omzet produceerde in 2016. [1] Dat is 2773 euro per maand. Elke werkende Belg produceerde gemiddeld 94 261 euro aan omzet in 2016.[2] Dat wil zeggen dat tussen 1988 en 2016, de tijdspanne van een generatie, de productiviteit in de Belgische economie verdubbelde.[3]
 
De arbeidsproductiviteit steeg in België jaarlijks met drie à vier procent in de industrie en één tot twee procent in de dienstensector. Dit betekent dat men elk jaar, afhankelijk van de sector, per honderd arbeiders met twee, drie of vier arbeidskrachten minder evenveel goederen of diensten kan leveren in dezelfde tijdsduur. De vraag is daarbij dan altijd: wat doen we met de opbrengst daarvan? In plaats van er mensen mee te ontslaan om nog winstgevender te worden zouden we de opbrengst kunnen omzetten in een loonstijging. We zouden ze ook kunnen omzetten in een collectieve arbeidsduurvermindering. Of we zouden de opbrengsten kunnen gebruiken voor het financieren van de sociale zekerheid om er hogere pensioenen mee uit te betalen. Het kan ook een mix van de drie zijn: loonstijging voor bepaalde categorieën, arbeidsduurvermindering voor andere groepen, of een versterking van de sociale zekerheid en hogere welvaartvaste pensioenen.
 
Daar ligt dan ook de oplossing voor het financieren van de vergrijzingsgolf. Die is op zijn hoogtepunt rond 2030, waarna er een einde aan komt en het evenwicht tussen actieven en niet-actieven snel zal worden hersteld. Dit zal ook nog worden versneld door de instroom van jonge arbeidskrachten uit het buitenland. De gestegen arbeidsproductiviteit en dus ook de stijging van de bedrijfswinsten, komen de hoge vermogens en niet de werknemers of de kleine zelfstandigen ten goede. We weten dat die hoge vermogens proportioneel ook het minste belastingen betalen. Een vermogensbelasting, die de sociale zekerheid en dus ook de toekomstige pensioenen mede financiert, is een billijke compensatie voor wat de werknemers zelf hebben bijgedragen aan de verhoging van de productiviteit en de bedrijfswinsten. Bovendien kan worden verwacht dat na 2030, als de vergrijzingsgolf op zijn einde loopt, de sociale zekerheid zichzelf opnieuw zal kunnen financieren.
De demagogie van de angst klopt niet: vergeleken met 30 jaar geleden produceren we tweemaal zoveel rijkdom. Onze lonen, pensioenen en sociale bescherming zijn echter niet mee verdubbeld. Integendeel, ze worden steeds meer bedreigd door het rechtse beleid, dat het populisme niet schuwt en als laatste argument ook nog zondebokken zoekt, die de schuld wordt gegeven van hun falend beleid. Het zijn niet de gepensioneerden die te vroeg zouden stoppen met werken, het zijn ook niet de werknemers die te hoge looneisen stellen, en het zijn ook niet de migranten die ons sociaal systeem ondergraven. De doodgravers van de sociale zekerheid zijn degenen die superwinsten boeken op de rug van de werknemers, en die weigeren hun rechtvaardig deel aan de samenleving terug te betalen.
 
Dat de rechterzijde de angspsychose over de onbetaalbaarheid van de pensioenen blijft aanwakkeren mag ons dus ook niet niet blind maken voor de echte inzet van de strijd. Die draait niet over de vraag of we de vergrijzing kunnen betalen maar wel over wie ze zal betalen.
 
Ondertussen blijkt dat gepensioneerden een groot risico op armoede lopen: 23 percent van de 65-plussers leeft in armoede of heeft een verhoogd armoederisico. 20 percent van de gepensioneerden is arm. Dit wil zeggen dat hun inkomen onder de armoedegrens ligt.[4] Is dit het soort maatschappij dat we willen, waar diegenen die niet meer kunnen werken gewoon losgelaten worden? Enkel een gegarandeerd wettelijk pensioen van 1500 euro netto, zoveel mogelijk voor iedereen gelijkgesteld, en dat wordt aangepast aan de index, geeft een garantie op een rustige oude dag vrij van geldzorgen. Dergelijke maatregelen zijn heel betaalbaar gezien het prestatievermogen van onze economie, en ze zijn een absoluut minimum om onze samenleving “beschaafd” te mogen noemen.
 
Tegen iedereen die de vergrijzing als een bedreiging voorstelt zeggen we dat onze toekomstvisie is gebaseerd op een positief verhaal. Is ouder worden niet één van de mooiste verwezenlijkingen van onze sociale democratie? We worden ouder en bovendien beschikken we over de mogelijkheden om ook op hogere leeftijd kwaliteitsvol te leven hoewel die mogelijkheden vaak nog onderbenut worden. Veel mensen van middelbare leeftijd hebben hun beide ouders nog en deze verkeren vaak in goede gezondheid. Dat is van onschatbare waarde. We moeten er alles aan doen dat ouder worden niet gelijkstaat aan armoede en maatschappelijk isolement. Het is dus goed dat men nog een actief leven kan hebben met een goed en gegarandeerd inkomen na het beroepsleven. Dat zal de samenleving in haar geheel alleen maar ten goede komen.
Wij zijn Socialisten roept daarom de sp.a op het eisenplatform van de vakbondsmanifestatie van 16 mei onverkort te onderschrijven en zal ervoor ijveren dat het terugbrengen van de wettelijke pensioenleeftijd naar 65 jaar wordt opgenomen in het sp.a-verkiezingsprogramma voor 2019
 
[2] Wij komen tot dit cijfer door het Belgisch BNP in 2016 (428 miljard euro) te delen door het aantal werkenden in 2016(4,54 miljoen mensen).
[4] Persbericht FOD economie, “armoede gepeild”, 16/10/2009

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.